Januari 2011. Dat betekent dat ik nu meer dan tien jaar in de bibliotheeksector werk. Het is een mijlpaal die veel andere bibliothecarissen al veel langer geleden haalden. In die zin is het niet wat je noemt indrukwekkend. Voor mij als individu is het echter wel degelijk een bijzonder moment. Als je in ieder geval al een achtste van je leven hebt gewijd aan een vakgebied mag je gerust concluderen dat je iets aan het doen bent dat je hart raakt. Tenzij je iemand bent die toevallig in het vak is beland en de werkplek simpelweg nooit heeft verlaten, natuurlijk.
Als ik terugblik op die tien jaar zie ik vooral transformatie. Er is veel veranderd, vooral door de ontwikkelingen op ICT-gebied in het algemeen, en door het web in het bijzonder. De wereld van de informatiebemiddelaar staat al tien jaar op z’n kop. Als je op zoek bent naar succesverhalen op dat terrein hoef je niet lang te zoeken: er is veel gedaan en bereikt. De bibliotheek veranderde sneller dan menig ander instituut en welbeschouwd gebeurde dat in veel gevallen ook nog zonder al te veel bloed, zweet en tranen, waaruit je zou kunnen opmaken dat de bibliotheek veel flexibeler is dan het soms lijkt.
Het punt is, dat ik niet op zoek ben naar succesverhalen. Niet bij de lancering van de nieuwe website van Digitale Bibliotheek en Intellectueel Kapitaal. Ik wil het juist even hebben over het gebrek aan flexibiliteit en het uitblijven van transformatie op het gebied dat ik in de laatste vijf jaar van het bibliotheekwerk als het belangrijkste onderdeel van het vak ben gaan beschouwen: de sociale kant.
Ik snap maar niet hoe het komt dat er anno 2011 miljoenen Nederlanders zijn te vinden op allerlei digitale, ‘sociale’ platformen terwijl bibliothecarissen zichzelf daar nauwelijks manifesteren. Daar zijn in de loop van de tijd al tientallen verklaringen voor gegeven, die stuk voor stuk een deel van de waarheid bevatten. Maar hoe je het ook wendt of keert: in de praktijk zie je maar een handvol bibliotheekmedewerkers dat zich online onder de mensen begeeft. Daarmee wil ik geen afbreuk doen aan alle mooie initiatieven op Twitter, Facebook of in de vorm van bibliotheekblogs. Ik richt me tot de honderden collega’s die het sociale web helemaal buiten de deur houden, of zich er alleen vertonen zonder gezicht, zonder beroep of zonder stem.
Niemand heeft het recht om mensen te vertellen wat ze moeten doen, ik zeker niet – en het wordt heus begrepen als iemand zijn werk- en privéleven gescheiden wil houden. Maar het kan toch niet zo zijn dat wij als groep van 10.000 informatiebemiddelaars nauwelijks een rol spelen op Wikipedia, slechts incidenteel vragen beantwoorden via #durftevragen (de meeste gebruikte tag op Twitter in 2010!) en na twaalf jaar Google nog steeds pas opduiken in de zoekresultaten als iemand de term ‘bibliotheek’ toevoegt aan een zoekopdracht? Dat is toch ongelooflijk?
We hebben het altijd over onze vier miljoen leden, en over het feit dat ons netwerk in potentie zo krachtig is. Maar wij zijn zélf ook een leger van 10.000 man sterk. Laten we ons dan zo de kaas van het brood eten? Nee toch? Dat is toch te pijnlijk? Zou het niet mooi zijn als we in januari 2011 in de jaaroverzichten kunnen lezen over de wonderlijke opkomst van de digitale bibliothecaris? Over die immer rondklikkende wandelende encyclopedieën die tot vervelens toe opduiken op het web?
Mij lijkt het prachtig, maar iets zegt me dat het niet gaat gebeuren. Het is louter ruis, vermaak en lawaai, dat stomme internet.
Edwin Mijnsbergen 3 januari 2011