Als je al jaren geïnteresseerd bent in de rol van bibliotheken ten opzichte van digitale ontwikkelingen in het algemeen en het online gedrag van (potentiële) klanten in het bijzonder, dan kan je gerust stellen dat het interessante tijden zijn. Het bezuinigingsspook waart rond in de culturele wereld en het is de bibliotheeksector die de hardste klappen krijgt. Leuk is dat natuurlijk niet, maar het is wel uitermate boeiend om te zien hoe mensen en organisaties daar verschillend op reageren.
Waar de een er, al dan niet noodgedwongen, voor kiest te snijden in de collecties en het personeelsbestand, besluit de ander om vestigingen te sluiten en zich veel meer te richten op diensten op maat. De ene bibliotheek kiest voor een grotere nadruk op de ontmoetingsfunctie, de andere richt zich juist sterk op de digitale dienstverlening. Het is maar net wat het best bij bestaande politieke agenda’s past, wat het meeste geld oplevert (of het minste kost) of waar het mooist mee gescoord kan worden binnen de publieke beeldvorming. De tijd zal ons leren welke bibliotheken uiteindelijk de beste keuzes maakten.
Zelf ben ik momenteel werkzaam voor verschillende bibliotheekorganisaties, die weliswaar allemaal vergelijkbare doelstellingen en hetzelfde urgentiegevoel hebben, maar toch allemaal een andere rol vervullen binnen hun eigen werkgebied. Mede daardoor hebben die organisaties verschillende toekomststrategieën, terwijl er tegelijkertijd op veel fronten samengewerkt moet worden. Dat die situatie veel uitdagingen met zich meebrengt is evident. De organisaties kunnen elkaar enerzijds aanvullen en daardoor wederzijds versterken, maar verschillende toekomstvisies vergen ook permanente feedback en dus ook overleg. Voor al dat vergaderen is echter niet veel tijd meer. Het is immers ‘vijver voor twaalf’ dan ooit tevoren. Er rest ons niets anders dan de mouwen op te stropen en door te gaan op de ingeslagen wegen. Er is nu even geen weg meer terug. Welbeschouwd is dat een zegen. Dat aspect schept namelijk een hoop duidelijkheid. Het scheelt weer tien vergaderingen, om het zo maar eens te zeggen.
Het is ook interessant om te zien hoe de politiek acteert en het publiek vervolgens reageert op de verschillende bezuinigingsmaatregelen. Als uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat openbare bibliotheken in 2009 nog meer dan vier miljoen leden hadden, die bijna 100 miljoen boeken leenden, dan kun je niet concluderen dat bibliotheken niet meer relevant zijn. Aan de andere kant zie je dat de politiek er in veel gevallen juist voor kiest om toch te snijden in de subsidies voor bibliotheken. Dat heeft iets tegenstrijdigs maar moet haast wel ergens op gebaseerd zijn. Het kan gewoon niet waar zijn dat al die gemeenten worden bestuurd door mensen die zich laten leiden door de waan van de dag. Dat zou pas echt zorgwekkend zijn.
Het is waarschijnlijker dat er een verschil bestaat tussen de vrolijk stemmende statistieken en de dagelijkse praktijk. Uit diverse online polls komt naar voren dat minstens de helft van de respondenten zegt de bibliotheek nog regelmatig te bezoeken. Over het profiel van die respondenten is verder niets bekend, maar de uitkomsten geven wel een indicatie van de status quo. In de praktijk zie je echter maar al te vaak dat het in veel bibliotheken rustiger is dan vroeger. Veel rustiger. En als je mensen vervolgens vraagt wat ze zoal doen in de bibliotheek, dan krijg je vaak antwoorden die niets te maken hebben met boeken. Dat is niet erg, maar het is wel een mogelijke verklaring voor het feit dat veel politici zich afvragen of je daar zoveel relatief dure gebouwen voor open moet houden. Kun je het dan ook niet af met een gezellig leescafé, met alle faciliteiten voor onbekommerde toegang tot internet en andere digitale bronnen? Moet je daar gebouwen voor in stand houden, die vol staan met boeken die veel te weinig geleend of gelezen worden? Je kunt het je afvragen.
Iets zegt me dat het precies dát is, wat de politiek doet.
Edwin Mijnsbergen 18 februari 2011